Dat orgels verhuizen van de ene kerk naar de andere, is een verschijnsel van alle tijden. Soms waren het maatschappelijke ontwikkelingen die een impuls gaven aan die verhuizingen.
Zo werden in het kielzog van de Franse revolutie kloosters en abdijen opgeheven (een orgelkaalslag, die vergelijkbaar was met wat we nu door secularisatie meemaken).
De overbodig geworden orgels kwamen beschikbaar voor parochiekerken of voor protestantse kerken.
Orgelverhuizingen kunnen ook te maken hebben met vernieuwingsdrang in rijke kerken; men schaft dan een groter en moderner instrument aan en de 'afdanker' kan in een
andere kerk (vaak in een armer gebied) geplaatst worden. Prachtige kleine, als ouderwets ervaren, orgels kwamen zo in onze provincie terecht (onder meer in Donkerbroek
in 1879 een Verhofstadt-orgel uit ca. 1720, gebouwd voor Jutphaas; in Wijnjewoude/Duurswoude in 1917 een kort na 1720 door Frans Caspar Schnitger voor Zwolle gebouwd
instrument). Er werd ook wel eens een Fries orgel dat voor nieuwbouw moest wijken naar buiten Fryslân geëxporteerd (het orgel dat Christian Müller in 1725/1726 voor
Beetgum bouwde, week in 1861 voor een Van Oeckelen-orgel en werd verkocht naar Westerbork).
Een aantal orgelverplaatsingen heeft zijn beslag gekregen binnen de provinciegrenzen; ook die wortelen in vernieuwingsdrang in de ene plaats, leidend tot een voordelig aanbod
elders (zo verhuisde het orgel van Oosterbierum uit 1813 in 1868 naar Hindeloopen, dat van de doopsgezinde kerk in Heerenveen uit 1840 in 1900 naar Oosthem, dat van
Tzummarum uit 1821 via Goes in 1931 naar Wierum).
Ten slotte werden en worden soms orgels binnen een kerkgebouw verplaatst. Dat gebeurde met het orgel van Stiens (gebouwd in 1830, in 1853 verplaatst van de westzijde naar het
koor, in 1976 teruggeplaatst). Ook het orgel van Oppenhuizen (1909) verhuisde binnen de kerkmuren (in 1921). Het Stienser orgel is een instrument met hoofdwerk en rugpositief, het
orgel van Oppenhuizen heeft twee klavieren en een vrij pedaal. Verplaatsing daarvan heeft nogal wat voeten in de aarde.
Een kabinetorgel laat zich wat beter voegen naar veranderende kerkinrichtingswensen. Het grootste kabinetorgel van ons land, onderwerp van dit artikel, bevindt zich in de
kerk van Oldeholtpade. Daar krijgt het nu – niet voor het eerst – een andere positie. Maar voordat het in Oldeholtpade terechtkwam had het ook al op meer dan één locatie gestaan.
Het orgel werd in 1800 vervaardigd door Hendrik Anthonie Meijer. Meijer was in 1744 of 1745 vlakbij Hannover geboren en vestigt zich – we weten niet precies wanneer – als
orgelmaker in Amsterdam, waar hij in 1812 overlijdt. Meijers specialiteit was het bouwen van kabinetorgels. Het exemplaar waar we het in dit artikel over hebben, maakte hij voor
Jan Teengs, houthandelaar en burgemeester van Edam. Als deze overlijdt, wordt zijn inboedel (waar meerdere muziekinstrumenten deel van uitmaakten) geveild. Het orgel krijgt
dan een bestemming in de Janskerk in Haarlem, waar de orgelmaker Gabry het achter een loos front plaatst. Als men in Haarlem in 1883 overgaat tot de aankoop van een groter
orgel – opnieuw een gebruikt instrument – komen het kabinetorgel en het loze front voor aankoop beschikbaar. Misschien was men in Oldeholtpade door mond-tot-mond
reclame op deze buitenkans geattendeerd, maar het kan ook zijn dat dat gebeurde door een advertentie die op 12 mei van dat jaar verscheen in Het Nieuws van den dag. De
tekst daarvan luidde:
“ORGEL Te Koop, voor matigen prijs, het ORGEL, staande in de Janskerk te Haarlem, bijzonder geschikt voor een niet te groote Kerk of groote Zaal. Informatiën zijn te
bekomen bij den Heer E. A. KRUSEMAN, Leidschevaart, te Haarlem”.
In Oldeholtpade verwerft men het ensemble van het Meijer-orgel en de Gabry-kas voor 450 gulden. De orgelmaker Willem Hardorff wordt belast met de plaatsing op de nieuwe
locatie. Hardorff had het in dat jaar druk in de oostelijke Stellingwerven: voor de opnieuw ingerichte kerk van het buurdorp Nijeholtpade maakt hij een nieuw eenklaviers orgel.
Met zijn twee klavieren was het naar Oldeholtpade overgeplaatste instrument natuurlijk een zeer luxueus kabinetorgel, maar ook naar 'kerkorgel-normen' stak het met
zijn dispositie van tien volledige registers en vier discant-stemmen de orgels van Nijeholtpade, Oldeberkoop en Wolvega naar de kroon. De eenklaviers orgels die expliciet als
kerkorgels werden gebouwd, boden overigens wel meer klanksterkte dan het orgel waarmee de kerk van Oldeholtpade werd verrijkt. Dat is niet verwonderlijk. Immers, dit
orgel was als instrument voor thuis bedoeld, al zullen de vertrekken ten huize van burgemeester Teengs wel ruim bemeten zijn geweest. De Haarlemse situatie van een weliswaar
groot maar niet zichtbaar kabinetorgel, schuilgaand achter een kerkorgelfront, werd in Oldeholtpade ook weer gecreëerd.
Restauratie van het orgel door Bakker & Timmenga heeft plaatsgevonden in 1972/73. In 1998 besloot men het orgel door dezelfde firma naar het koor van de kerk te laten
verplaatsen; de Gabry-kas bleef boven staan. In het kader van een herinrichting van de kerk wordt in de loop van dit jaar het orgel in het koor opnieuw wat verschoven.
Ook wordt het goed nagezien door de firma Reil.
Alhoewel het orgel in het koor een betere klankuitstraling heeft, is het ook nu nog meer de klankkwaliteit – ook de rijkdom aan kleurvariëteiten – dan de klankkwantiteit die
indruk maakt. De dispositie bestaat uit zes volledige registers en twee discant-stemmen op het ondermanuaal en vier volledige registers en twee discant-stemmen op het
bovenmanuaal. Alle volledige registers zijn gedeeld in bas en discant. Er is een manuaalkoppel, er is een aangehangen pedaal, en het is mogelijk de dynamiek te regelen door de
aanwezigheid van jaloezieën in het dak van het orgel. Om uit dit vorstelijke aantal mogelijkheden naar wens te kunnen kiezen, zijn er maar liefst 27 registerknoppen.
De twee discant-stemmen op het bovenklavier zijn een Viola di Gamba 8' en een Gemshoorn 8'. Met de wél volledige Roerfluit 8' op dat klavier als basis kan er zo binnen de
8'-ligging naar believen 'gekleurd' worden. De twee discant-stemmen op het onderklavier zijn een Prestant 8' en een Bourdon 16'. Waar de Prestant 8' discant op een kabinetorgel
niet ongebruikelijk is (voor het volledige register biedt de kas immers geen ruimte), is de Bourdon 16' discant iets heel uitzonderlijks en is het beoogde gebruik ervan een beetje
raadselachtig. De functie van dat register in 'huiskamermuziek' is moeilijk voorstelbaar, en gebruik ervan voor gemeentezangbegeleiding ligt in het huis van houthandelaar en
burgemeester Teengs toch niet direct voor de hand. Of vinden we bij de familie Teengs de 'orgelvoorloper' van het latere zingen bij het harmonium? Overigens lijkt het alsof Meijer
juist voor die Bourdon 16' discant een zekere voorliefde heeft gehad. In het standaardwerk op dit gebied (dr. Arend Jan Gierveld, “Het Nederlandse huisorgel in de 17e en 18e
eeuw”, Utrecht 1977) worden nog drie andere tweeklaviers kabinetorgels van Meijer genoemd met dit register. Twee daarvan bestaan niet meer. Eén van de twee nog wel bestaande
instrumenten is in particulier bezit. Om een Meijer-klankavontuur te beleven moet men zich tegenwoordig dus beslist naar Oldeholtpade begeven. Wie dat doet, wordt getrakteerd
op een onuitputtelijk arsenaal van muzikale kleuren. In augustus, als de werkzaamheden in de kerk zijn voltooid, zal het orgel op een zaterdagmiddag concertant bespeeld
worden (zie de orgelagenda).